Besparen op OKAN-vervolgcoaches: een pedagogische fout
- Nele VDB
- 4 apr
- 3 minuten om te lezen
Op 18 maart 2026 publiceerde De Morgen het artikel ‘Veel minder ‘advocaten’ voor anderstalige leerkrachten. Daarin verzamelde de krant reacties op de beslissing van minister Demir om de middelen voor OKAN-vervolgcoaches met twee derde te verminderen. De krant legde haar oor te luister op een studiedag voor OKAN-leerkrachten, die zich bezorgd tonen over de beslissing. Zo ook Steven Delarue, beleidsmedewerker taal en meertaligheid aan het Onderwijscentrum Gent: “Leerlingen gaan niet gewoon van de ene school naar de andere: de hele context waarin ze voltijds een nieuwe taal aangeleerd krijgen valt plots weg. Vervolgcoaches helpen die overgang zachter te maken”.
Deze en gelijkaardige reacties wijzen erop dat een cruciale vorm van begeleiding voor anderstalige leerlingen dreigt weg te vallen. Het verminderen van de middelen voor OKAN-vervolgcoaches is geen neutrale maatregel, maar een pedagogische fout.
Na OKAN begint het pas
Niet tijdens, maar na het OKAN-jaar is de begeleiding van anderstalige nieuwkomers het belangrijkst. Tijdens het OKAN-jaar krijgen leerlingen intensieve taalondersteuning in een veilige omgeving met leerlingen in een gelijkaardige situatie. Zodra ze overstappen naar het reguliere onderwijs, verandert hun situatie volledig. Plots zitten ze in een klas met moedertaalsprekers, terwijl hun taalniveau daar nog lang niet op aansluit.
Uit literatuur blijkt dat “drie tot zeven jaar voltijds onderwijs in de nieuwe taal nodig (is) voordat meertalige kinderen mondelinge taalvaardigheden verworven hebben die vergelijkbaar zijn met die van moedertaalsprekers” (Leysen, z.d.). Het afronden van één OKAN-jaar is dus geen eindpunt, maar het begin van een veel langer leerproces. Net in die overgangsfase is gespecialiseerde begeleiding noodzakelijk. Vervolgcoaches vervullen daarbij een brugfunctie tussen OKAN en het reguliere onderwijs. Door de middelen voor vervolgcoaches te verminderen, wordt die cruciale overgang minder ondersteund.
Verschuiving van de opdracht
De zorgvraag van ex-OKAN-leerlingen verdwijnt niet wanneer middelen worden verminderd. Wanneer de vervolgcoach wegvalt, verschuift de begeleidingsopdracht naar de leerkrachten in het reguliere onderwijs.
Dit heeft gevolgen op drie niveaus. Ten eerste vergroot de werkdruk voor leerkrachten. Ten tweede krijgen ex-OKAN-leerlingen minder gespecialiseerde begeleiding omdat vakleerkrachten meestal geen experten in taalverwerving zijn. Bovendien verliezen ze een trajectbegeleider die voor hen en hun potentieel opkomt tegenover bijvoorbeeld de toegangsklassenraad. Ten derde kunnen de leerkansen voor de andere leerlingen verminderen omdat de leerkracht minder tijd kan besteden aan het gewone lesgeven.
Tegenstrijdig en onvoldoende onderbouwd beleid
De beslissing is bovendien moeilijk te rijmen met andere beleidskeuzes. Terwijl de middelen voor vervolgcoaches dalen, worden drie extra lesuren Nederlands voorzien voor leerlingen met een taalachterstand in het eerste jaar secundair.
Extra lesuren Nederlands kunnen nuttig zijn, maar volstaan niet als vervanging voor gerichte begeleiding. Onderzoek van professor Orhan Agirdag wijst erop dat een beleid met slechts een klein aantal uren taalondersteuning in sommige gevallen zelfs minder effectief kan zijn dan helemaal geen specifiek taalbeleid (Agirdag, 2014).
Bovendien hebben ook leerlingen uit hogere jaren ondersteuning nodig. Door tegelijk te besparen op begeleiding op maat en te investeren in extra taaluren, lijkt het beleid eerder symbolisch dan onderbouwd te zijn.
Conclusie
Het verminderen van de middelen voor OKAN-vervolgcoaches is daarom een verkeerde keuze. Het negeert het feit dat de moeilijkste fase voor anderstalige nieuwkomers pas begint na het OKAN-jaar. Het verhoogt de werkdruk voor leerkrachten en vermindert de kwaliteit van de begeleiding voor de betrokken partijen. Bovendien is het beleid tegenstrijdig met wat onderzoek over taalverwerving aantoont. Als de Vlaamse regering echt wil dat anderstalige leerlingen succesvol integreren in het onderwijs, dan moet ze net investeren in begeleiding na het OKAN-jaar in plaats van daarop te besparen.
Bronnen:
Agirdag, O. (2014) Onderwijsongelijkheid tussen anderstalige en Nederlandstalige leerlingen en de effectiviteit van eentalig versus meertalig onderwijs. In Bilal Benyaich (eds.) Klokslag twaalf. Tijd voor een ander migratie- en integratiebeleid (pp. 173-192) Brussels: Itinera Institute.
Gordts, P. (2026, 18 maart). Veel minder ‘advocaten’ voor anderstalige leerlingen. De Morgen, p.8.
Leysen, H. (z.d.) Meertalige taalontwikkeling. In: Leysen, H., & Mostaert, C., (red.). Cursus Taalanalist [Cursus]. Thomas More, Expertisecentrum voor Ontwikkeling en leren.
Onderwijs Vlaanderen voor onderwijsprofessionals. (2026). Besparingen secundair onderwijs. Vlaanderen.be [www.vlaanderen.be]. Geraadpleegd op 1 april 2026 via https://www.vlaanderen.be/onderwijsprofessionals/nieuwsberichten/besparingen-secundair-onderwijs

Dag Nele
Zeer fijne post om te lezen. Steeds vaker valt het op dat beleidsmaatregels genomen worden zonder veel direct contact met waar ze het hardst raken. Deze beslissing om minder te investeren in onderwijs - zeker voor anderstaligen - zal op termijn zijn weerslag kennen. Een andere minister zal zijn of haar ogen fronsen als die ziet dat integratie niet loopt zoals verwacht met al de politieke gevolgen nadien. Ook op individueel niveau heeft het zware gevolgen en zal leiden tot meer stigmatisatie. Echter heb ik geen glazenbol. We shall see!
Groetjes
Mante