Bewegend leren: iets om te proberen?
- Nele VDB
- 4 apr
- 3 minuten om te lezen
Mens sana in corpore sano. Dat bewegen goed is voor het brein, wist men in het oude Rome al. Ook de gedreven professor neuroanatomie bij wie ik een tijdje geleden les volgde, benadrukte het grote belang van fysieke activiteit voor de hersenwerking. Het verklaart waarom ik mijn dochter tijdens de examenperiode geregeld aanspoorde om even te gaan wandelen – al werd die aanmoediging niet altijd enthousiast onthaald.
Over beweging integreren in mijn eigen toekomstige taallessen had ik tot nu toe nog niet nagedacht. Lindsay Everaert, wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit Hasselt, deed dat wel, zo lees ik in een artikel in Het Belang van Limburg. In haar doctoraatsonderzoek werkte Everaert samen met verschillende secundaire scholen om na te gaan wat het effect is van bewegend leren bij tieners.
De resultaten zijn veelbelovend: leerlingen zouden zich beter kunnen concentreren, meer gemotiveerd zijn en zelfs betere leerprestaties behalen. Als toekomstig leerkracht merk ik dat het mijn nieuwsgierigheid prikkelt; het idee alleen al maakt me enthousiast. Tegelijk moet ik toegeven dat ik niet meteen sta te springen - letterlijk noch figuurlijk - om les te geven in een trainingspak. Hieronder weeg ik af wat voor mij de mogelijkheden en de beperkingen lijken van bewegend leren.
Binnen het taalonderwijs waarin ik wil terechtkomen, zie ik zeker kansen. Een wandeldictee, zoals in het artikel wordt voorgesteld, kan ik me nog niet helemaal concreet voorstellen. Het idee om leerlingen al wandelend met elkaar in dialoog te laten gaan, lijkt me daarentegen wel haalbaar én verfrissend. Bovendien heb ik thuis al ondervonden dat bewegen en leren goed kunnen samengaan: met mijn dochter sprong ik – letterlijk - ooit de historische periodes in, met verrassend goed resultaat.
Toch zijn er ook bezwaren. Om te beginnen is er de fysieke context: veel klaslokalen laten eenvoudigweg weinig bewegingsruimte toe. In de praktijk kom je al snel uit bij rechtstaan of beperkte bewegingen naast de bank.
Daarnaast lijkt het me een (te?) grote uitdaging om als beginnende leerkracht tegelijk mijn lesdoelen te bewaken én een dynamischere werkvorm in goede banen te leiden. Meer beweging betekent vaak ook meer prikkels en dus mogelijk meer onvoorspelbaarheid.
Een derde drempel ligt in de schoolcultuur. Als starter kom je terecht in een bestaand team, met eigen gewoontes en overtuigingen. Wellicht staat niet elke collega te springen voor vernieuwing aangebracht door een ‘progressieve zij-instromer’, laat staan voor extra beweging in de klas. Een al te enthousiaste aanpak zou dus evengoed op gefronste wenkbrauwen kunnen rekenen in plaats van op onmiddellijke bijval.
Toch hoeft dat geen reden te zijn om het idee meteen los te laten. Het onderzoek van Lindsay Everaert toont net aan dat je ook klein kan beginnen. Misschien ligt de sleutel in een voorzichtige, stapsgewijze aanpak. Je hoeft niet meteen elke les om te vormen tot een beweegparcours, maar kan af en toe een korte, doelgerichte bewegingsactiviteit integreren. Op die manier kan je stap voor stap ontdekken wat werkt, zonder jezelf of je omgeving te overrompelen.
Wat ik meeneem, is dat bewegend leren geen wonderoplossing is, maar dat het wel een interessante, verfrissende en effectieve aanvulling kan zijn. Het vraagt doordachte keuzes, gevoel voor timing en een realistische aanpak. En toch ook wel een gezonde portie durf – al hoeft die zich wat mij betreft voorlopig niet te uiten in sprintjes tussen de schoolbanken.
Bron: Gijsen, M. (2026, 31 maart). Bewegend leren zorgt voor betere motivatie en resultaten bij tieners. Het Belang van Limburg, p. 22.

Opmerkingen