Faites vos jeux
Bijgewerkt op: 7 okt

Een krantenartikel over gezelschapsspellen die je makkelijk in je valies stopt: niet meteen iets waarvan je denkt dat het in een cultuurportfolio voor het vak Nederlands zal belanden. En toch.
Op een zonnige ochtend in augustus valt mijn oog in De Morgen op het artikel ‘Plastic knuppels, Portugese tegels en een blikje vol eikels: vakantiepret gegarandeerd met deze gezelschapsspellen’. Benieuwd naar de innovaties op de spelletjesmarkt begin ik te lezen. Een beetje terughoudend ook misschien, want ik ben niet zo’n fan van grote, ingewikkelde bordspelen waarbij je eerst urenlang de spelregels moet bestuderen voor je echt van start kan gaan. Waar ik wel van hou, zijn kleine, creatief bedacht spelletjes waarin een beetje tactiek, een flinke dosis humor en een vleugje geluk samenkomen.
Het geluk is aan mijn kant, want drie van de spelletjes die de auteur bespreekt, voldoen niet alleen aan mijn hierboven vermelde criteria; taal speelt er bovendien een cruciale rol in.
Plots lees ik het artikel dan ook niet meer alleen als vakantie-inspiratie. Met mijn toekomstigeleerkrachtenbril op het puntje van mijn neus stel ik me de vraag: “Zouden deze spelletjes misschien ook in een les Nederlands van pas kunnen komen?”
Spelen met woorden

Bij Tongbrekers moet je een begrip omschrijven zonder het woord zelf te gebruiken. Er is echter een (extra) moeilijkheid: je moet met een speciale 22-zijdige dobbelsteen een medeklinker gooien en vervolgens moet je alle woorden in je omschrijving met die letter laten beginnen door de beginmedeklinkers telkens door die ene te vervangen.
Het lijkt me fijn om leerlingen op deze manier met woordenschat aan de slag te laten gaan. In plaats van een formatief woordenschattoetsje of een Kahootquiz kun je bijvoorbeeld kaartjes maken met de woorden uit de les. Afhankelijk van de moeilijkheidsgraad van de woorden en het niveau van de leerlingen kun je extra ondersteuning voorzien onder de vorm van een afbeelding, enkele sleutelwoorden of een korte omschrijving. Je kunt de leerlingen ook zelf elk 3 kaartjes laten maken van de woorden die zij de moeilijkste vinden en daarmee aan de slag gaan. Het lijkt me didactisch sterk om op die manier met hun eigen input te werken.

Poetry for Neanderthals lijkt op Tongbrekers, hoewel de fonologische/fonemische uitdaging hier plaatsmaakt voor een lexicale uitdaging: je moet een woord of begrip omschrijven met uitsluitend eenlettergrepige woorden. De opblaasbare knuppel waarmee je medespelers mag slaan wanneer ze toch een langer woord gebruiken, lijkt me minder geschikt om te gebruiken in mijn toekomstige klas - al denken sommige leerlingen daar wellicht anders over.
De taaluitdaging zelf vind ik wél interessant. We gebruiken immers vaak lange en abstracte woorden zonder stil te staan bij hun complexiteit. Wat gebeurt er als die woorden plots verboden zijn? Dit spel verplicht je om op zoek te gaan naar een andere formulering en na te denken over hoe je een boodschap zo eenvoudig mogelijk kunt overbrengen zonder de betekenis ervan te verliezen. Dat kan leerlingen niet alleen bewuster maken van hun eigen taalgebruik, maar ook van hoe uitdagend het Nederlands kan zijn voor meertalige kinderen of mensen die op latere leeftijd de taal leren.

Het derde spel, Wie Weet Wat, brengt me terug naar mijn eigen schooltijd, wanneer we op de schoolbus naar het zwembad niet meer nodig hadden dan pen en papier om dat spel te spelen. We kozen enkele categorieën – meisjesnaam, jongensnaam, plant, land … – en iemand liep in gedachten door het alfabet tot een ander ‘stop’ riep. Met de letter die dan aan de beurt was, probeerden we zo snel mogelijk woorden te vinden.
Ook dit is makkelijk over te dragen naar het taalonderwijs. Wanneer het gaat over literatuur, kunnen de categorieën bijvoorbeeld personage, schrijver en titel zijn. En waarom zou je het niet als een soort bingo spelen met de hele klas?
Van spel naar leer- en evaluatieproces
Hoewel ze ontwikkeld zijn als ontspanning en niet als lesmateriaal bevatten deze spelletjes mechanismen die in het taalonderwijs bruikbaar kunnen zijn. Leerlingen zijn actief bezig met klanken, woorden, betekenissen en taalstrategieën, terwijl de leerkracht tegelijk kan observeren welke leerstof en vaardigheden ze beheersen en waar ze het nog moeilijk hebben. Doordat je de spelregels of moeilijkheidsgraad eenvoudig kunt aanpassen, zijn er ook kansen tot differentiatie.
Omdat mijn kinderen net als ik liefhebbers zijn van de betere verspreking - met bijhorende slappe lach - heb ik Tongbrekers alvast in huis gehaald. Voor op school neem ik vooral de ideeën mee, enthousiast om er in de klas op maat mee aan de slag te gaan wanneer de gelegenheid zich voordoet.
Bron: De Weyer, G. (2026, 5 augustus). Plastic knuppels, Portugese tegels en een blikje vol eikels: vakantiepret gegarandeerd met deze gezelschapsspellen. De Morgen, katern Het vrije leven, p. 2.



Opmerkingen